VONNIS - In naam van de koning

Rechtbank Den Haag

 

FH
Zaak-/rolnr: 7788212 RL EXPL 19-12080
28 januari 2020

Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

Mevr Y
wonende te Zoetermeer, eisende partij, gemachtigden: mr. C.P.R.M. Dekker en P.G.J. Jung (toevoegingsnummer 2FJ7612)

tegen

de stichting Pensioenfonds van de Metalektro, gevestigd en kantoorhoudende te Den Haag, gedaagde partij
gemachtigden: mr. A. ter Horst en mr N.T.C. Vuik

Partijen worden hierna genoemd "mevr Y"en "PME"

1. Procedure
1.1. De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:
- de dagvaarding van 9 mei 2019, met producties 1 tot en met 5
- de conclusie van antwoord, met producties 1 en 2
- de comparitieaantekeningen zijdens PME

1.2. Op 19 november 2019 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen mevr Y in persoon, vergezeld van de gemachtigden, en namens PME, mevrouw A.M.A.M. Meevissen, bijgestaan door de gemachtigden. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. Feiten
2.1. Mevr Y is op 4 oktober 1972 in het huwelijk getreden met de Man. Bij vonnis van 3 mei 1994 heeft de rechtbank het huwelijk ontbonden

2.2. De Man heeft tijdens zijn werkzame leven bij Siemens Nederland gewerkt. Siemens Nederland heeft aan de Man een pensioentoezegging gedaan en deze ondergebracht bij de Stichting Pensioenfonds Siemens (hierna: SPS). Alle bij SPS opgebouwde pensioenaanspraken zijn per 1 april 2011 door middel van een collectieve waardeoverdracht(ex artikel 84 Pensioenwet) overgedragen aan PME.

Noot PensioenScheiden 03.12.2020 10.20: Feitelijk vielen de werknemers van Siemens Nederland wettelijk onder de verplichtstelling van PME [ het Bedrijfspensioenfonds voor de Grootmetaal (Metaalindustrie)]. Siemens Nederland was door PME gedispenseerd om de deelnemers aan te melden bij PME. Jaarlijks diende Siemens een verklaring te overgeleggen dat deelnemers minimaal gelijkwaardig verzekerd waren, alsof ze vanaf de aanvang onder PME gevallen zouden zijn!

2.3. In verband met de ontbinding van het huwelijk moesten de door de Man opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen worden verrekend. In dat kader was artikel 8 Pensioen- en spaarfondsenwet (Hierna: Psw) zoals deze gold op het moment van echtscheiding in 1994 van belang. Dat artikel luidde toen als volgt:

Art 8.1- Degene, die aan een pensioenfonds heeft deelgenomen, verkrijgt, tenzij het bepaalde in het tiende lid toepassing vindt, bij het eindigen van zijn deelneming anders dan door overlijden of het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd een voor hem premievrije aanspraak op ouderdomspensioen en weduwen- of weduwnaarspensioen dan wel partnerpensioen, met inachtneming van het bepaalde in dit artikel.

Art 8.2 - Het Pensioenfonds stelt bij beëindiging van de deelneming de hoogte vast van een evenredig ouderdomspensioen. Daaronder wordt verstaan het verschil tussen het ouderdomspensioen dat de gewezen deelnemer zou hebben gekregen als hij zou hebben deelgenomen tot de pensioengerechtigde leeftijd en het ouderdomspensioen dat hij zou hebben gekregen als hij zou hebben deelgenomen vanaf het tijdstip waarop zijn deelneming eindigde tot de pensioengerechtigde leeftijd. Bij de berekening bedoeld in de vorige volzin wordt, voor wat betreft de gegevens die voor de vaststelling van de pensioenaanspraken van belang zijn, uitgegaan van die gegevens, zoals deze gelden op het tijdstip waarop de deelneming is geeindigd.

Art 8.3 De gewezen deelnemer verkrijgt bij beëindiging van de deelneming ten minste een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen op de voet van de tot dan door en voor hem betaalde en uit hoofde van artikel 2, zesde lid, nog verschuldigde bedragen naarmate de voor pensioeningang vereiste duur van de deelneming is verstreken.

Noot PensioenScheiden 1: Als de premievrije aanspraken op basis van de door en voor deelnemer betaalde premie hoger zijn dan de hoogte van het evenredig ouderdomspensioen behoudt de deelnemer de hogere aanspraken.

Art 8.4 Wanneer de premievrije aanspraak op ouderdomspensioen, verkregen op grond van het derde lid, minder bedraagt dan het evenredige ouderdomspensioen, vastgesteld op grond van het tweede lid, wordt het verschil verdeeld in zoveel gelijke delen als er kalendermaanden liggen in het tijdvak tussen de datum, waarop de deelneming eindigt, en de datum, waarop het ouderdomspensioen ingaat. Tijdens bedoeld tijdvak verkrijgt de gewezen deelnemer telkens op de eerste dag van elke kalendermaand recht op verhoging van zijn premievrije aanspraak op ouderdomspensioen met één van de gelijke delen bedoeld in de eerste volzin. Indien na de beëindiging van de deelneming de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat wordt vervroegd, wordt de berekening voor het alsdan overblijvende deel van het verschil opnieuw uitgevoerd.Het verschil bedoeld in de eerste volzin mag ook sneller worden verminderd dan voortvloeit uit de tweede of derde volzin. Het bepaalde in dit lid is n.v.t. ingeval van afkoop als bedoeld in artikel 32b.

Noot PensioenScheiden 2: Als er bij ontslag ("scheiding") een achterstand in de financiering was, mocht de werkgever tot 2000 die achterstand inlopen tot de pensioendatum. De achterstand in financiering tast echter de rechten niet aan. Ingeval van scheiding dient in ieder geval uitgegaan te worden van een volledig (fictief afgefinancierd) ouderdomspensioen. Voor werkgevers waar de backservice op
1 januari 2000 nog niet volledig van was afgefinancierd kon sprake zijn van een overgangsregeling waarbij uitstel kon worden verleend tot uiterlijk 1 januari 2010. De Nederlandsche Bank (DNB) kon zelfs een langere periode toestaan doch nooit langer dan 15 jaar, dus uiterlijk tot 1 januari 2015.

2.4. Bij brief van 5 juni 1996 bericht SPS aan de Man dat zij de contante waarde van de op zijn levende verzekerde penioenen heeft berekend.
Deze waarden bedragen: oudedagspensioen NLG 62.920,35 - nabestaandenpensioenNLG 63.125,01 in totaal NLG 126.045,36
De te verrekenen waarde komt daarmee op NLG 126.045,36 : 2 - NLG 63.125,01 = -102,33
Het is echter de vraag of de Hoge Raad in een situatie als deze, waarin de waarde van het nabestaandenpensioen hoger is dan die van het oudedagspensioen, wel pensioenverrekening heeftgewild. In zijn Pensioenarrest (27 november 1981:NJ1982 nr 503 zijn hiertoe enige aanwijzingen te vinden. Zijn oplossing om het nabestaandenpensioen maar buiten beschouwing te laten komt ons echter onredelijk voor. Naar onze mening is het in deze situatie beter helemaal géén verrekening te laten plaatsvinden. De berekeningen zijn uitgevoerd per 1 augustus 1994 op basis van de voor deze verzekering geldende tarieven, waarbij rekening is gehouden met de rentestandskorting

Noot PensioenScheiden 3: Onder punt 13 van bedoeld arrest staat vermeld dat in bepaalde gevallen verrekening van het weduwenpensioen achterwege kan blijven.

2.5. Mevr Y heeft bij de Ombudsman Pensioenen een klacht ingediend tegen SPS omdat zij het niet eens was met de berekening van SPS. De Ombudsman Pensioenen heeft zich laten adviseren door professor Lutjens. De Ombudsman Pensioenen heeft, mede op basis van dat advies, de klacht afgewezen

Noot PensioenScheiden 4: Zie website PensioenScheiden Er is geen sprake van een dichtgetimmerd advies van professor Lutjens. De professor heeft onder meer verklaard het pensioenreglement niet bekeken te hebben!

3. Vordering
3.1. Mevr Y vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorrraad, een verklaring voor recht dat de uitleg van PME van artikel 8 Psw zoals dat artikel luidde in 1994 onjuist is en dat artikel 8 Psw moet worden uitgelegd overeenkomstig de uitleg van mevr Y zoals opgenomen in de dagvaarding. Daarnaast vordert Olij veroordeling van PME om binnen zeven werkdagen na betekening van het vonnis een herberekening te maken van de de contante waarde van de opgebouwde aanspraken, welke herberekening moet geschieden per de datum van de echtscheiding en met inachtneming van de actuariële grondslagen per de datum van echtscheiding, een en ander op straffe van een dwangsom van € 2.500,00 per dag voor iedere dag dat PME de berekening niet heeft aangeleverd met een maximum van € 50.000,00. Ten slotte vordert mevr Yveroordeling van PME in de kosten van deze procedure.

3.2. Mevr Y legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. SPS heeft zich bij de berekening van de contante waarde uitsluitend op artikel 8 lid 3 van de Psw gebaseerd. De hoofdregel is vastgelegd in artikel 8 lid 1 juncto artikel 8 lid 2 Psw. De deelnemer krijgt een premievrije evenredige aanspraak die moet worden vastgesteld overeenkomstig artikel 8 lid 2 Psw. Een beroep op artikel 8 lid 3 Psw is alleen mogelijk als de som van de voor en door de (gewezen) deelnemer betaalde bijdragen meer bedraagt dan de evenredige aanspraak die op grond van artikel 8 lid 2 Psw dient te worden vastgesteld. Dat volgt uit artikel 8 lid 4 Psw dat een verplichting oplegt om het verschil bij te financieren. Als de aanspraken op grond van de voor en door de (gewezen) deelnemer meer bedragen dan de aanspraken berekend op grond van artikel 8 lid 2 Psw, dan krijgt de deelnemer de aanspraken op grond van artikel 8 lid 3 Psw en niet de aanspraken op grond van artikel 8 lid 2 Psw. Aan artikel 8 lid 3 komt, anders dan SPS (en PME) menen, geen zelfstandige betekenis toe. Daarnaast ziet artikel 8 lid 3 Psw op de situatie van een gewezen deelnemer: dat is de persoon wiens deelnemerschap in de pensioenregeling is geëindigd maar die nog wel aanspraken heeft jegens SPS. In dit geval is geen sprake van een gewezen deelnemer, omdat de ex-echtgenoot van mevr Y ook na de scheiding bij Siemens Nederland bleef werken en dus pensioen bleef opbouwen.

Noot PensioenScheiden 5: Denk dat de rechter zich hier vergist, immers als de aanspraken op basis van de voor en door werknemer betaalde premies al hoger geweest zou zijn dan de aanspraken conform artikel 8 lid 2 Psw, dan zou deze excercitie helemaal niet nodig geweest zijn!

4. Verweer
4.1. PME heeft verweer gevoerd waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.

5. Beoordeling
Ontvankelijkheid
5.1. PME heeft als meest verstrekkende verweer gevoerd dat zij niet de rechtsopvolger is van SPS. Aan dit verweer legt zij ten grondslag dat mevr Y het standpunt inneemt dat PME de rechtsopvolger is van SPS en om die reden gehouden zou zijn een herberekening te maken van de eerder door SPS uitgevoerde berekening. De kantonrechter volgt PME niet in dit verweer. Het verzoek aan PME tot het maken van een herberekening is een zelfstandig verzoek en staat los van het eerdere verzoek in 1996 aan SPS om een berekening te maken. De reden dat mevr Y het verzoek doet is erin gelegen dat PME op dit moment de pensioenuitvoerder is. De kantonrechter zal dus overgaan tot inhoudelijke behandeling van de vorderingen.

Verjaring
5.2. PME heeft vervolgens als verweer gevoerd dat de vordering is verjaard en de klachtplicht is geschonden. Behandeling van dit verweer kan achterwege blijven in verband met het hierna volgende.

Achtergrond
5.3 In het arrest van de Hoge Raad van 27 november 1981, NJ 1982/503 (Boon van Loon) is voor het eerst geoordeeld dat het ouderdomspensioen en het nabestaandenpensioen bij echtscheidingen moest worden verdeeld onder ex-echtgenoten. In dit arrest werd uiteengezet hoe dit diende te gebeuren. Deze situatie gold tot 30 april 1995, toen de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van kracht werd. De echtscheiding van mevr Y en de Man in 1994 vond aldus plaats in de periode dat er zogenaamde Boon/Van Loon-berekeningen werden gemaakt.

Situatie van mevr Y
5.4. Kort gezegd komt het standpunt van mevr Y erop neer dat de berekening door SPS zoals weergegeven in haar brief van 5 juni 1996 aan de Man niet juist is. Zij vordert daarom allereerst een verklaring voor recht dat artikel 8 Psw moet worden uitgelegd op de wijze als door mevr Y in de dagvaarding is aangegeven. PME heeft dat gemotiveerd betwist.

5.5 De kantonrechter stelt voorop dat om de pensioenverdeling te kunnen berekenen, de fictie van beëindiging van de deelneming wordt gehanteerd. In die fictie is de Man een gewezen deelnemer.

5.6 De kantonrechter stelt daarnaast vast dat de pensioenaanspraak op grond van artikel 8 Psw bij beëindiging van de deelneming kon zijn:
1. een evenredig ouderdomspensioen (lid 2)
2. de gefinancierde waarde van het ouderdomspensioen (lid 3)

Noot PensioenScheiden 6: Hier vergist de rechter zich. Kennelijk heeft de rechter zich niet verdiept in de feiten waarom artikel 8 lid 4 toegvoegd is aan de Psw. Het merendeel van de eindloonregelingen van werkgevers hebben artikel 8 lid 4 niet toegevoegd aan hun pensioenreglementen. Artikel 8 lid 4 is toegevoegd om te voorkomen dat werkgevers failliet zouden gaan, als ingeval van uitdiensttreding de kolossale bakservicekoopsommen op tafel gelegd moesten worden. De backservice werd wel gepassiveerd op de balans ter vermindering van de Winst en Verlies rekening en dus ter vermindering van de vennootschapsbelasting, maar werd kennelijk weer aangewend in het bedrijf en was dus niet voor handen op het moment dat de werkgever de backservicekoopsom moest afstorten bij de pensioenuitvoerder.

Noot PensioenScheiden 7: Artikel 8 lid 4 van de Psw zegt alleen iets over de financiering van de toegezegde aanspraken zoals vastgelegd in artikel 8 lid 2 van de Psw. De toegezegde aanspraken liggen dus vast. Dat blijkt ook uit het feit dat als een uit dienst getreden deelnemer zijn waarde op uit diensttreding liet overdragen naar een andere werkgever/pensioenverzekeraar de backservicekoopsom in één keer op tafel gelegd moest worden. Dat lag vast in artikel 32b van de Psw.

5.7 Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit lid 4 van atikel 8 Psw wat er moet gebeuren als de gefinancierde waarde op grond van lid 3 minder bedraagt dan het evenredige ouderdomspensioen zoals bedoeld in lid 2. In dat geval moet na beëindiging van de deelneming iedere maand de gefinancierde waarde worden verhoogd tot een evenredig ouderdomspensioen is verkregen. In lid 3 staan de woorden "ten minste" opgenomen, hetgeen naar het oordeel van de kantonrechter, anders dan door Olij is gesteld, duidt op een ondergrens.

Noot PensioenScheiden 8: Ook hier vergist de rechter zich. De vraag die gesteld zou kunnen worden,is, wat onze wetgever met de woorden "ten minste"heeft willen uitdrukken. Naar mijn mening wordt hiermee bedoeld dat als artikel 8 lid 3 een hogere uitkomst geeft, dan volgens artikel 8 lid 2, ten minste de aanspraken volgens artikel 8 lid 3 toegepast moeten worden.

5.8. Mevr Y heeft voorts gesteld dat de Siemens regeling een eindloonregeling betrof en dat daarbij het levenslange ouderdomspensioen gelijk is aan een percentage van het laastgenoten salaris, rekening houdend met de AOW.

5.9. Zoals door PME echter terecht is aangevoerd, is pas bij wet van 22 december 1999 het recht op een evenredige premievrije aanspraak bij einde deelneming opgenomen. Uit artikel 8 lid 4 Psw vloeide voort dat in de periode daarvoor, dus ook in 1994, weliswaar een evenredige aanspraak moest worden vastgesteld, maar een volledige gefinancierde tijdsevenredige aanspraak hoefde nog niet toegekend te worden omdat daar op basis van lid 4 naar toe gegroeid kon worden. Artikel 8 lid Psw moet dan ook zo worden uitgelegd dat op grond van lid 2 het pensioenfonds het evenredige ouderdomspensioen vaststelt, de deelnemer bij einde deelneming op basis van lid 3 tenminste een premievrije aanspraak verkrijgt op de voet van de betaalde bedragen en dat als de aanspraak verkregen op grond van lid 3 minder bedraagt dan de evenredige aanspraak van lid 2 de deelnemer vervolgens tussen einde deelneming en pensioendatum elke maand een evenredige verhoding van zijn premievije aanspraak op pensioen krijgt.

Noot PensioenScheiden 9: Bij wet van 22 december 1999 is de 65-x methode verboden. Vanaf dat moment mocht fiscaal de backservice niet meer gepassiveerd worden op de balans. De rechter vergist zich deerlijk. PME heeft uitermate bewust de twee begrippen aan elkaar gelinkt, dat is laakbaar en kan PME verweten worden. Het begrip "Uitstelfinanciering" zou in de pensioenwereld niet opgenomen zijn, als onze wetgever artikel 8 lid 4 Psw niet toegevoegd zou hebben. Zie ook: Het grote Bedrog!

Noot PensioenScheiden 9a: Door de rechter wordt aangegeven dat PME terecht heeft aangevoerd dat het recht op een evenredige aanspraak pas bij wet van 22 december van kracht zou zijn geworden. Als dat juist zou zijn, dan had SPS het weduwenpensioen ook niet op basis van evenredigheid hoeven af te financieren! De affinanciering van het weduwenpensioen lag niet vast in het pensioenreglement! Waarom heeft professor Lutjes dat niet opgemerkt? (zie hiervoor noot 4!)

5.10. Hoewel met de invoering van de wet van 1999 de 65-x financieringsmethodiek (ook wel uitstelfinanciering genoemd) is verboden, volgt uit artikel 19 en artikel 22 van het pensioenreglement van SPS (dat dateert van 1 oktober 1988) dat dit systeem tot die tijd wel werd gehanteerd. Het daarom op de weg van mevr Y gelegen om haar stelling te onderbouwen dat een toezegging zou zijn gedaan dat de berekening zou plaats vinden aan de hand van het eindloon. Dat heeft zij niet gedaan. Een berekening op basis van eindloon zou overigens naar het oordeel van de kantonrechter ook tot onwenselijke situaties leiden dat hetgeen na echtscheiding is ingelegd aan de ex-echtgenoot zou toekomen. Immers de verdeling vindt plaats op het moment van de echtscheiding zelf.

Noot PensioenScheiden 10: Zou de rechter wel eens nagedacht hebben hoe indexering werkt? Het recht bestond al op het moment van scheiding! Dat de financiering eerst plaats vindt na de datum scheiding doet daar niets aan af! En zoals professor Lutjens terecht opgemerkt heeft, deze geacht zou kunnen worden te behoren tot de in de huwelijkse periode opgebouwde aanspraken.

Noot PensioenScheiden 10a: Tot die tijd? De uitstelfinanciering, zoals omschreven in artikel 8 lid 4 Psw is niet verboden met ingang van
1 januari 2000. Sommige werkgevers mochten deze zelfs toepassen tot 1 januari 2010. De 65-x methode mocht met ingang van die datum niet meer worden toegepast!

5.11. Een en ander leid tot de conclusie dat de door mevr Y gevorderde verklaring voor recht zal worden afgewezen.

5.12. In het voorgaande ligt besloten dat de tweede vordering van mevr Y, de veroordeling van PME tot het maken van een herberekening eveneens zal worden afgewezen. Hetgeen PME in dat kader als verweer heeft aangevoerd blijft daarom onbesproken.

Noot PensioenScheiden 11: PME zou zich de ogen uit de kop moeten schamen! De essentie van het hele verhaal had moeten zijn, of PME een opgave verstrekt zou hebben van het te verrekenen pensioen, als Siemens vanaf de aanvang onder PME gevallen zou zijn, met andere woorden, als er aan Siemens geen dispensatie zou zijn verleend. Had PME dan op verzoek van de Man een opgave verstrekt van de hoogte van het te verrekenen pensioen? Ja dus, immers die opgave hebben ze altijd verstrekt aan alle deelnemers die daarom vroegen. Ik heb daarvoor de bewijzen liggen, opgaven uit dossiers van anderen. Eerst rond 2014 is PME gestopt met het totaal vervaardigen van opgaven op basis van het Boon van Loon arrest. Ik ben nog steeds van mening dat ze dat gedaan hebben, om niet geconfronteerd  te kunnen worden met oud deelnemers van Siemens die om een opgave konden vragen van het te verrekenen pensioen. De regelingen van Siemens en PME waren volledig identiek. Waarom verstrekte PME wel opgaven aan deelnemers en Siemens niet? Kan PME zichzelf recht in de ogen blijven kijken, door in de rechtbank te verklaren dat ze nimmer opgaven verstrekt hebben van het te verrekenen pensioen aan deelnemers die daarom vroegen? Ik wil het graag van PME horen, als ze dat onder ede verklaren! Eén van de grondregels van PME als ze dispensatie verlenen aan een onderneming is, dat die deelnemers (en hun partners)  minimaal dezelfde rechten krijgen als ze gehad zouden hebben, als ze onder PME zouden zijn blijven vallen. Dat gaat wel op voor de Man, maar dus niet voor mevrouw Y.

5.13. Mevr Y zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure. Het salaris bepaalt de kantonrechter op
€ 360,00 per punt. Rekening houdend met het vonnis in het incident, waarmee PME in het ongelijk was gesteld, zal de kantonrechter een bedrag van € 540,00 wegens salaris gemachtigde toewijzen

6. Beslissing

De kantonrechter:

6.1 wijst de vordering af

6.2 veroordeelt mevr Y in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van PME vastgesteld op € 540,00 als het aan de gemachtigde van PME toekomende salaris.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. J.L.M. Luiten en uitgespoken ter openbare terechtzitting van 28 januari 2020.



Laatstelijk aangepast: 03 december 2020

 

Terug naar PensioenScheiden of PensioenWeetjes

 

Opgemaakt 13 februari 2020 en aangepast op: 19 februari 2020, 20 februari 2020, 28 november 2020, 30 november 2020 en 3 december 2020.

Noot PensioenScheiden 12: Is dit dossier bewust getraineerd tot en met de rechterlijke macht aan toe? Is in dit dossier (en alle andere dossiers over eindloon) wellicht sprake van een verborgen agenda? De algemene verjaringstermijn van 20 jaar is met ingang van 1 januari 2020 immers verstreken!

Zie ook St Pfnds Siemens en Zie Het grote Bedrog!