Terug naar website Pensioenscheiden

PensioenScheiden                                                                                                6 juli 2017      
P. G. J. Jung                                                                                               
Van Harenstraat 10                                                                                   
8471 JD  WOLVEGA                                                                                 

Staatssecretaris van Sociale Zaken en
Werkgelegenheid                                                 
Postbus 90801
2509 LV  DEN HAAG

Betreft:  Uw brief van 20 maart 2017 in reactie op mijn brieven van 30 januari,
9 februari en 16 februari 2017.         
Heeft alleen betrekking op scheidingen tot 1 mei 1995.                
Uw Referentie:  2017-0000036702

Geachte Staatssecretaris,

Uw reactie in uw brief van 20 maart 2017 op mijn brieven van 30 januari, 9 februari en 16 februari jl. is tekenend voor de Nederlandse Rechtsstaat.
Evenals uw reactie op de Kamervragen in uw brief van 9 februari 2016 gericht aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal als gevolg van het artikel in het Algemeen Dagblad van 8 december 2015.

Op alle gestelde vragen wordt  door u geen antwoord gegeven.  In uw brief van 20 maart 2017 geeft u aan dat ik mijn ongenoegen  over het te hoog vaststellen van het te verrekenen pensioen onder uw aandacht gebracht zou hebben.

Is dat zo? Heeft u mijn brieven wel gelezen?  Gezien uw antwoord vraag ik me dat echt af.

Algemene verwachting
U geeft aan dat in zijn algemeenheid mag worden verwacht dat pensioenfondsen zich richten naar de jurisprudentie die zich heeft ontwikkeld en de betrokkenen inzicht geven in de wijze van berekening.  Is dat zo? Het ABP houdt zich hier niet aan.
Het ABP verstrekt sinds 2011 (?)  geen enkele opgave meer met onderbouwing.

Jurisprudentie is een belangrijk onderdeel van onze rechtspraak waarmee rechtsongelijkheid kan worden voorkomen. Is dat zo?

Als alle rechtbanken met hun neuzen dezelfde kant uitwijzen, dan heeft u zeker een punt.  Door alle jaren heen zijn er uitspraken gedaan door rechtbanken met betrekking tot een eventuele verjaring van het Boon/Van Loon-arrest.
12 mei 2009 ECLI:NL:GHARN:2009:BJ 3742 , Rechtbank Arnhem.
Een dergelijke vordering zou verjaren na 20 jaar.

De betrokken rechter was kennelijk niet op de hoogte wat er in het Burgerlijk Wetboek 3 2e lid van artikel 179 vermeld staat, dat te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed gevorderd kan worden.  Overigens de betrokken advocaat evenmin!       Is deze zaak ooit rechtgezet?

Blz. 2 brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en

Blijft er desondanks sprake van een geschil over de verdeling van pensioenrechten, dan is het uiteindelijk aan de kantonrechter om over een redelijke en billijke verdeling te oordelen. 

Lijkt me op zich een prima zaak, mits de betrokken kantonrechter weet, waar ie het over heeft. In het algemeen kan gesteld worden dat kantonrechters niet veel kennis gegeten hebben van pensioen.  Uit bijna alle in mijn bezit zijnde dossiers blijkt dat. Als de betrokken rechter op de hoogte geweest zou zijn van de pensioenwetgeving en/of alle arresten en/of hetgeen hier in de Burgerlijke Wetboeken over is opgenomen zou de rechter in bijna alle gevallen tot een juiste uitspraak zijn gekomen.

Rechtszaak, wie kan dat betalen?
Voor scheidingen tot 1 mei 1995 geldt dat ex-partners elkaar wederzijds moeten aanspreken als ze in aanmerking willen komen voor verrekening van het pensioen.
Voor dat doel dient een opgave gevraagd te worden aan de pensioenverzekeraar, tenminste als de ex-partner bereid is om hier zijn of haar medewerking aan te verlenen.  Als de ex-partner zijn of haar medewerking niet wil verlenen kan alleen een gerechtelijke procedure uitkomst brengen.

Tenminste, als je in staat bent om een advocaat te betalen. € 200,- tot € 400,- per uur is eerder regel dan uitzondering.  En vergeet u vooral de bijkomende kosten niet, zoals de kosten van de gerechtsdeurwaarder en de griffiekosten.  Zelfs met een modaal inkomen is dat veelal niet te betalen.  Misschien kom je in aanmerking voor een toevoeging al dan niet na een peiljaarverlegging.  Maar ook dan kan de eenmalige bijdrage een dusdanig bedrag zijn, dat dat voor veel mensen niet op te brengen is.

Als de rechtszaak eenmaal loopt, ben je sterk afhankelijk van de kennis van je advocaat. Het aantal advocaten wat verstand heeft van pensioen is op één hand te tellen. En als hij of zij echt verstand heeft van pensioen dan is die advocaat niet te betalen of zoals ik soms tegenkom, weigert om aan het werk te gaan voor mensen die alleen een advocaat kunnen betalen als ze in aanmerking komen voor een toevoeging.

Maar nog afhankelijker ben je van de rechter die jouw zaak toegewezen krijgt.  Je zal die rechter krijgen die de uitspraak deed op 12 mei 2009 bij de Rechtbank Arnhem, zoals bovenstaand vermeld. Daar wordt je dan niet vrolijk van!

Als sprake is van een rechtszaak waar het pensioen verrekent dient te worden als gevolg van scheiding valt het aan te bevelen dat een rechter bijgestaan wordt door een pensioenspecialist, als de rechter zelf niet voldoende kennis bezit.

Tariefsgrondslagen :

Onder punt 3 van uw brief van 9 februari 2016 geeft u aan, dat er geen eenduidig antwoord te geven zou zijn op de vraag op welke grondslagen een berekening moet worden vastgesteld.  Uit uw antwoord blijkt dat u niet weet hoe het pensioen in de jaren tachtig/negentig werd vastgesteld en wat er gebeurd als een pensioenverzekeraar overgaat op andere grondslagen, aanspraken gingen namelijk met een gesloten beurs over. 

Blz. 3 brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en ..

Om dat het pensioen duurder werd en het overlijdensrisico minder, moet ineens veel meer pensioen verrekend worden, dan wanneer de opgave op het moment van de scheiding berekend zou zijn.

Onder punt 5 van uw brief van 9 februari 2016 geeft u aan, dat door het alsnog treffen van aanvullende maatregelen een stuk rechtsongelijkheid zou kunnen ontstaan tussen ex-partners die deze verdeling reeds hebben gemaakt en ex-partners die deze nog willen maken.

U realiseert zich geen moment dat als pensioenverzekeraars niet overgegaan zouden zijn naar andere grondslagen er geen rechtsongelijkheid ontstaan zou zijn. Door het overgaan op andere grondslagen is er dus rechtsongelijkheid ontstaan!!!!!

ABP:
U verwijst daarbij ook naar punt 4 van uw brief van 9 februari 2016, waarin vermeld staat dat als mensen meer moeten overdragen dan 100%, dat de rechter om een oordeel gevraagd kan worden. Maar hoe kan je dat vaststellen, als de pensioenuitvoerder, zoals het ABP (vanaf 2012) geen onderbouwing verstrekt?  

En niet alleen dat.  De Hoge Raad heeft bepaald dat indien de voorwaardelijke uitkering meer bedraagt dan 50% van het te verrekenen ouderdomspensioen, het te verrekenen ouderdomspensioen gematigd wordt tot 50% van dat ouderdomspensioen.

Het ABP heeft in alle tot dusver verstrekte opgaven hier geen rekening mee gehouden.

Ombudsman Pensioenen:
Ook de Ombudsman Pensioenen beperkt zich tot hetgeen hierover in het Boon/Van Loon-arrest is opgenomen. De Ombudsman Pensioenen zou in feite een onafhankelijk instituut moeten zijn dat boven de pensioenuitvoerder staat.
Uit de briefwisseling tussen de pensioenuitvoerder en de Ombudsman Pensioenen blijkt dat de Ombudsman Pensioenen zich laat leiden door hetgeen de pensioenuitvoerder te berde brengt. De Ombudsman Pensioenen is niet in staat om te beoordelen of de ingebrachte argumenten door de pensioenuitvoerder nu wel of geen hout snijden.  In alle dossiers geeft de Ombudsman Pensioenen aan niet verder te kunnen bemiddelen.  Geeft aan dat alleen een rechter uitsluitsel kan geven.  Einde dossier!

In feite had geen enkel dossier aangeboden kunnen worden aan de Ombudsman Pensioenen. De Ombudsman Pensioenen zou alleen benaderd kunnen worden als de klacht over de uitvoering van de pensioenregeling gaat. In al deze dossiers gaat het immers niet over de uitvoering van de regeling, maar om het vervaardigen van informatieve opgaven om de hoogte vast te stellen van het te verrekenen pensioen als gevolg van de scheiding van beide ex-partners.

Des te schrijnender is het dat alle betrokken pensioenuitvoerders zich verschuilen achter de Ombudsman Pensioenen.  En dat is niet meer dan logisch!  Immers de Ombudsman Pensioenen wordt betaald door de gezamenlijke pensioenuitvoerders.  

Blz. 4 brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en

De Nederlandse consument heeft dus geen voet om op te staan.  De uitkeringsgerechtigde of de uitkeringsplichtige kan zich alleen wenden tot een Rechtbank.  En is dan weer afhankelijk van kennis van of  een advocaat of de rechtbank of van derden.

Overkoepelend orgaan
Ik pleit in deze voor een overkoepelend orgaan, ingesteld door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waar de burger naar toe kan met haar klacht, waar de burger serieus genomen wordt.  Waar mensen zitten die van onderen tot boven kennis hebben van de pensioenwetgeving en kennis van alle liggende arresten, maar ook kennis hebben van het Burgerlijk Wetboek.  Die kunnen beoordelen dat opgaven om het pensioen te verrekenen of te verevenen juist zijn vastgesteld.  Die kunnen sanctioneren als de pensioenuitvoerder weigert om een correcte opgave te verstrekken.  Een orgaan waar de pensioenuitvoerder zich niet kan verschuilen achter de huidige Ombudsman Pensioenen.  Een orgaan wat boven de pensioenuitvoerder staat en daar op geen enkele manier aan of mee verbonden is. 

Eindloontoezegging in relatie tot scheiding
Al vanaf de jaren ’50 waren er (veel) werkgevers die een eindloontoezegging gedaan hebben aan hun werknemers en/of aan hun meeverzekerde partners. Vanaf oktober 1957 mocht de backservice fiscaal gepassiveerd worden op de balans. Er was immers sprake van een schuld!  Op het moment van uitdiensttreding diende de werkgever en dus in feite de pensioenuitvoerder de backservice af te financieren. 
Bij uitdiensttreding werden er echter rechten meegegeven op basis van de voor en door werknemer betaalde premies.  Door het niet meegeven van de juiste rechten was er in feite sprake van fraude.  U heeft dit kennelijk gedoogd, al dan niet met medeweten van de Verzekeringskamer en/of het volledige kabinet!  Eerst in augustus 1987 heeft u de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) zo aangepast dat werkgevers op dat moment zonder meer verplicht werden de backservice af te financieren als een werknemer voortijdig het dienstverband verbrak.  Er zouden vele hele grote werkgevers waarschijnlijk omgevallen zijn als u waarschijnlijk ook in augustus 1987 als verzachtende maatregel niet de uitstelfinanciering in de PSW opgenomen had.
De uitstelfinanciering zorgde ervoor dat ingeval van uitdiensttreding de werkgever tot aan de pensioendatum alsnog gelijkmatig de backservice mocht affinancieren.  
Als uitstelfinanciering toegepast werd diende dat gereglementeerd te worden in het pensioenreglement van de werkgever.  

Het is niet voor niets dat vanaf 1 januari 2000 de  pensioentoezegging in Nederland in een rap tempo veranderde van een eindloontoezegging naar premie-overeenkomsten al dan niet in samenhang met beleggingsconstructies. Immers het was niet meer toegestaan de backservice te passiveren op de balans!

Advocaten en rechtbanken gaan voor scheidingen tot 1 mei 1995 alleen uit van hetgeen in het Boon/van Loon-arrest bepaald is. Naar de pensioenwetgeving zoals bovenstaand geformuleerd wordt tot 1 januari 2000 niet of nauwelijks gekeken door rechtbanken en/of advocaten.

De pensioentoezegging van de werkgever aan de werknemer is  bepalend.

Blz. 5 brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en ….

Achterstand in de financiering is immers niet des werknemers, maar des werkgevers.  Het laat immers de toegezegde aanspraken onverlet!!

Dus ook in geval van scheiding.  En niet alleen met betrekking tot het Bijzonder Partnerpensioen maar ook met betrekking tot het ouderdomspensioen!

Pensioenuitvoerders geven aan, dat als een opgave verstrekt moet worden van het te verrekenen pensioen uitgegaan moet worden van die aanspraken die verkregen zouden zijn, als op het moment van scheiding het dienstverband beëindigd zou zijn.
Voor scheidingen tot 1 januari 2000 gebeurde dat ten onrechte nog veelvuldig op basis van de voor en door werknemer betaalde premies!!!!

Stichting Pensioenfonds Siemens/PME
Bij Siemens was sprake van een eindloontoezegging. Uitstelfinanciering was netjes  gereglementeerd in het pensioenreglement.  Hoewel niet gereglementeerd werd het  Partnerpensioen van jaar tot jaar volledig afgefinancierd, zoals door Siemens aangegeven uit het oogpunt van risico. Een drogreden, waarom? Ik verwijs u daarvoor graag naar mijn website (www.pensioenscheiden.nl).  Op het ouderdomspensioen werd uitstelfinanciering toegepast.   Volgens het Bestuur van de Stichting Pensioenfonds Siemens was het toegestaan aanspraken mee te geven op basis van de voor en door werknemer betaalde premies.  Als dat het geval zou zijn, waarom dan van jaar tot  jaar het partnerpensioen afgefinancierd? Door het toepassen van deze constructie stelde Siemens, was ingeval van scheiding, de contante waarde van het nabestaandenpensioen bijna altijd hoger dan die van het ouderdomspensioen, zodat er niets te verrekenen viel.

Zoals bovenstaand al aangegeven is achterstand in de financiering niet des werknemer, maar des werkgever. Het laat de toegezegde aanspraken onverlet. Siemens gaat volledig voorbij aan het feit dat de toezegging van het ouderdomspensioen volledig gerekend kan worden tot de huwelijksvermogensgemeenschap en als gevolg daarvan de toegezegde aanspraken naar evenredigheid tot de datum scheiding verdeeld dient te worden. 

Nationale Nederlanden (NN)
NN handelt op dezelfde wijze als sprake is van eindloonregelingen.   

Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW
2. De verzekeraar stelt, wanneer het verbonden zijn aan de onderneming eindigt, de hoogte vast van een evenredig ouderdomspensioen. Daaronder wordt verstaan het verschil tussen het ouderdomspensioen dat de verzekerde zou hebben gekregen als hij aan de onderneming verbonden zou zijn geweest tot aan de pensioengerechtigde leeftijd en het ouderdomspensioen dat hij zou hebben verkregen als hij verzekerd zou zijn geweest vanaf het tijdstip waarop het verbonden zijn aan de onderneming eindigde tot de pensioengerechtigde leeftijd. Bij de berekening bedoeld in de vorige volzin wordt, voor wat betreft de gegevens die voor de vaststelling van de pensioenaanspraken van belang zijn, uitgegaan van die gegevens zoals deze gelden op het tijdstip waarop het verbonden zijn aan de onderneming is geëindigd.

Blz. 6 Brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en ….

3.De verzekerde verkrijgt, wanneer het verbonden zijn aan de onderneming eindigt, ten minste een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen op de voet van de tot dan door en voor hem betaalde en uit hoofde van artikel 2 zesde lid, van de wet nog verschuldigde bedragen voor ouderdomspensioen naarmate de voor pensioeningang vereiste duur van de verzekering is verstreken.

NN verklaart dat ingeval van scheiding het toegestaan was uit te gaan van de opgebouwde aanspraken zoals deze op het moment van scheiding verzekerd waren, met andere woorden uit te gaan van de aanspraken op de voet van de tot dan door en voor verzekerde betaalde premies en verwijst hiervoor naar artikel 9 lid 3 van de regelen verzekeringsovereenkomsten PSW.   NN vergeet (bewust?) artikel 9 lid 2 van de regelen waarin staat dat in ieder geval recht bestaat op een evenredig pensioen.

Rechtsongelijkheid:
In punt 5 van uw brief van 9 februari 2016 geeft u aan dat u Rechtsongelijkheid wil vermijden!  Is aan u bekend dat ex-partners die het recht op uitbetaling van het  verevende pensioen niet via de pensioenuitvoerder geregeld hebben, maar onderling, fiscaal benadeeld worden? Dit geldt dus ook voor alle ex-partners die voor 1 mei 1995 van de echt gescheiden zijn.  De fiscus ziet het te verevenen of te verrekenen pensioen als alimentatie. Dit heeft tot gevolg dat over het verrekenen pensioen met de ex-partner, wat dus in feite geen inkomen is, toch de volledige zorgpremie betaald dient te worden en de inkomensafhankelijke bijdrage. Doordat het inkomen hoger wordt vastgesteld kunnen minder zorgkosten worden afgetrokken.   

Volgens de Directeur der Directe Belastingen zou hiervoor bewust gekozen zijn om alle zo eenvoudig mogelijk te houden. Dat kan toch niet waar zijn!!!!

Wanneer het pensioen uitbetaald wordt door de  pensioenuitvoerder namens de uitkeringsplichtige aan de uitkeringsgerechtigde heeft deze daar geen last van. Kortom pure discriminatie! Pure rechtsongelijkheid!   
De belastingwetgeving dient hier zo snel mogelijk op aangepast te worden.

Indexatie!! Nog een geval van pure Rechtsongelijkheid!
ECLI:NL:HR:2006:AW6163, Hoge Raad, C05/134HR - 06.10.2006
De Hoge Raad oordeelde dat als de man het volledig geïndexeerde ouderdomspensioen ontvangt, inclusief het deel dat voor de vrouw bestemd is, derhalve de indexering over het deel dat krachtens de overeenkomst aan de vrouw toekomt, aan de vrouw moet afdragen, geheel in lijn is met het Boon/van Loon-arrest.

Stichting Pensioenfonds Rabobank.  Pensioenfonds Haskoning DHV
Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid

Met andere woorden , het te verrekenen pensioen mag alleen geïndexeerd worden als het opgebouwde pensioen ook geïndexeerd wordt.  Zowel Rabobank Pensioenfonds als Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Bouwnijverheid als Pensioenfonds Haskoning DHV,  verstrekken opgaven van het te verrekenen pensioen waarbij rekening gehouden wordt met indexaties, zonder dat aan de verzekerde kenbaar gemaakt wordt, dat het opgebouwde pensioen niet geïndexeerd wordt.   

Blz. 7 brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en ….

Vermogensrechtelijk worden aanspraken aangetast die niet behoren tot het gezamenlijke huwelijksvermogensregime van beide gescheiden ex- partners!!, omdat deze eerst opgebouwd zijn na de datum scheiding. De betrokken pensioenuitvoerders zijn niet bereid tot correctie over te gaan. Met andere woorden niet bereid om een brief te vervaardigen waarin aangegeven wordt dat de door hun toegepaste
indexeringen niet gebaseerd zijn op een arrest, maar in feite een eigen interpretatie zijn.

Gommer & Partners
Een oud werknemer van de Rabobank overwoog een gerechtelijke procedure aan te spannen en zocht contact met Gommer & Partners, Pensioenadvocaten. In de aanloop naar een gerechtelijke procedure wijst Gommer & Partners haar cliënt erop dat hij deelnam aan de eindloonregeling van Rabobank Pensioenfonds.  
Inherent aan een eindloonregeling is dat er geen sprake is van indexeren van opgebouwde aanspraken.

De opgebouwde aanspraken worden echter wel als gevolg van salarisstijgingen verhoogd op basis van de fictie dat het verhoogde salaris werd genoten vanaf de datum indiensttreding.

De Nederlandsche Bank (DNB)
De toezichthouder, De Nederlandsche Bank, beveelt aan dat bij eindloonregelingen het deel dat toekomt aan de ex-echtgenote eveneens wordt aangepast. Hierbij wordt gesteld dat salarisstijgingen voor zover deze uitstijgen boven de loonindex buiten beschouwing gelaten worden. DNB stelt dan ook dat het aan de ex-echtgenote toekomende deel dient te worden aangepast aan de algemene loonindex.

Gommer & Partners is van mening dat de pensioengerechtigde het geïndexeerde bedrag dient te betrekken in de verrekening met de ex-echtgenote.  Gommer & Partners is van mening dat een ex-echtgenote een redelijke kans op succes heeft wanneer zij in een gerechtelijke procedure zal vorderen dat het aan haar toekomende deel van het ouderdomspensioen geïndexeerd dient te worden.

Gommer & Partners geeft eigenlijk aan de Wet of de liggende arresten niet te kennen. In feite hoort dit hoofdstuk thuis in de separate brief die u van mij ontvangt met betrekking tot dossiers die vallen onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding. 

Hoewel er geen wettelijke bepalingen zijn waarop een ex-echtgenote zich zou kunnen beroepen, zo geeft Gommer & Partners aan, volgt dit wel uit de jurisprudentie.
Uitspraken van De Nederlandsche Bank kunnen naar mijn mening echter niet gekwalificeerd worden als een arrest, hetgeen naar mijn mening dan ook betekent dat een Nederlandse Rechtbank hier niet naar zou kunnen verwijzen.

Op basis van bovenstaande beweringen werd afgezien van een gerechtelijke procedure.  Gommer & Partners gaat volledig voorbij aan het feit dat hier sprake is van een scheiding van voor 1 mei 1995.  Alleen voor het onderzoek brengt Gommer & Partners al een bedrag ruim boven de € 2.000,- in rekening. 

Blz. 8 brief 06.07.2017 aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en ….

Ik wil hiermee aangeven dat de kennis die dit advocatenkantoor etaleert  op zijn minst arbitrair is en voor de gewone man en vrouw niet te betalen. Bovendien zegt het ook iets hoe Gommer & Partners denkt over Rechtbanken en de kennis die bij deze Rechtbanken en haar rechters aanwezig is.

Ministerie van Justitie en Veiligheid
U weigert om de handschoen op te pakken, door te stellen dat als er een geschil is over de verdeling van de pensioenrechten het aan de kantonrechter is om over een redelijke en billijke verdeling te oordelen.  Op deze wijze zouden we in Nederland hebben georganiseerd dat men via een onafhankelijke arbiter kan laten beoordelen of wetten goed worden uitgevoerd.

Daarom maakt deze brief ook onderdeel uit van een brief gericht aan de Minister van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.  In deze brief geef ik aan, dat ik de intentie heb om in alle gevallen waar het structureel mis gaat met het vervaardigen van berekeningen om het pensioen te verrekenen of te verevenen de pensioenuitvoerder te dagvaarden. Vanuit het oogpunt van rechtvaardigheid.

Voor scheidingen tot 1 mei 1995 geldt dat de basis voor het toekennen van pensioenverrekening in het Boon/Van Loon-arrest ligt. Veelal gaat het om bedragen die de € 200,- per maand niet overstijgen. Gezien het feit dat de rechtbank veelal beide partners voor hun eigen kosten laat opdraaien, is het gezien de kosten die dit proces met zich meebrengt veelal niet lonend om dit proces te starten.  Merendeel der burgers is niet in staat om die kosten te betalen. In mijn praktijk kom ik vrouwen tegen die na 23 jaar huwelijk geen rooie cent van hun ex-partner krijgen omdat de pensioenuitvoerder een opgave vervaardigd heeft, waaruit blijkt dat het te verrekenen pensioen op nihil gesteld is.  Als op het moment van pensionering alleen recht bestaat op de alleenstaande AOW en een klein aanvullend pensioen en er geen compensatie is welke staat tegenover 23 jaar huwelijk dan vallen de betrokkenen terug tot bij wijze van spreken bijstandsniveau en moet veelal het (huur)huis waarin ze woonde tot aan hun pensionering verlaten worden.
Alle redelijkheid en billijkheid qua de verdeling is dan echt verdwenen!

Met het antwoord verwoord in uw brief van 20 maart 2017 laat u in ieder geval zien de website www.pensioenscheiden.nl  niet bekeken te hebben.  Als dat wel het geval geweest zou zijn,  zou u denk ik mijn brieven anders beantwoord hebben. Ik spreek in ieder geval de hoop uit dat ik deze keer wel een genuanceerd antwoord van u krijg.

Hoogachtend,

P.G.J. Jung
Pensioenscheiden

Kvk 08056094

Cc:
P. Ulenbelt
Minister van Veiligheid en Justitie
Peet Vogels - Algemeen Dagblad

 

Laatstelijk aangepast : 28 augustus 2017


Terug naar PensioenScheiden